Michael Kaptein
Broers
Ik kan me 5 oktober 2004 nog zo goed herinneren, omdat het de dag is die mijn broer me wilde laten vergeten. Het was een dinsdag. Dat vond ik de saaiste dag van de week. Grote dingen gebeuren niet op dinsdagen, zelfs geen dingen die voor een jongen van negen groot zijn. Woensdagen, die waren bijzonder. Dan had ik vrij en speelde ik met vriendjes de hele middag voetbal of oorlogje. Dan maakte ik iets mee. Op maandagen en donderdagen mocht ik naar judo en op vrijdagen was het bijna weekend. En in het weekend kon er ook van alles gebeuren, zeker als je twee grotere broers had. Maar op dinsdagen? Nee, dinsdagen waren dodelijk saaie dagen.
De dinsdag van 5 oktober leek ook stomvervelend te worden. Ik had op school al een tijdje uit het raam zitten staren, doezelig van de herfstzon die het lokaal verwarmde, mijn sommetjes helemaal vergeten. Taal en rekenen, geen gym waar je kon apenkooien, geen geschiedenis met ridderverhalen, niks interessants op een dinsdag. Toen ik thuiskwam vroeg ik aan mijn moeder wat we aten die avond.
'Spruitjes met spekjes', zei ze.
Ik zuchtte lang en deed dat daarna nog een keer, maar ze zwichtte niet. 'Het zijn nog steeds spruitjes met spekjes', zei ze met een glimlach waar ik een groter complot van moeders, supermarkten en spruitjestelers achter vermoedde. Om toch nog iets van de dag te maken, zei ik dat ik op mijn kamer ging zitten, zodat ik op de overloop stiekem de kamer van Rowan in kon glippen. Rowan was twaalf en mocht net als Alex, die al vijftien was, een playstation op zijn kamer hebben. Het was een groot onrecht dat ik al een poosje probeerde recht te zetten door op dinsdagmiddag op zijn kamer GTA 3 te spelen met het geluid heel zacht. Rowan ging dan na school meteen door naar basketbal en ik wist zeker dat hij pas om half zes thuis zou komen. Het ging al weken goed. Ik moest alleen zorgen dat ik geen savegames aanmaakte en alles achterliet zoals ik het had gevonden.
Ik was goed op weg in het spel, had al een politiewagen weten te stelen en scheurde nu met mijn sirenes aan over de stoep om zoveel mogelijk mensen te raken, toen de bel ging. Direct drukte ik op start om het spel te pauzeren. Misschien was het wel een vriend van me die kwam vragen of ik buiten kwam spelen. Zo nodig moest ik klaarstaan om af te sluiten en geruisloos van Rowans kamer te komen. Maar niemand riep mijn naam. Ik hoorde de voordeur dichtslaan, mijn moeder riep iets onverstaanbaars en er liepen mensen door de gang. Daarna niets meer. Een vriendin van mijn moeder misschien, de buurvrouw of zo. Ik drukte weer op start, reed een schooljongen van zijn fiets, boorde mijn wagen in een menigte en zaaide nog wat extra dood en verderf met mijn kalasjnikov.
Ik weet niet meer precies hoelang ik bezig was toen ik de deur van de kamer open hoorde gaan. Ik weet nog wel dat ik de controller op de grond liet vallen en verstijfde, terwijl mijn gedachten razendsnel een uitweg probeerden te vinden. Rowan-sorry-shit-ging-de-basketbal-niet-door-nee-ik-heb-niks-met-je-savegames-gedaan-ik-droog-wel-af-vanavond-morgen-ook-wel-anders-heel-de-week? Maar het was Alex die achter me stond. Mijn oudste broer met wie ik net als met Rowan stoeide en Mario Kart speelde, als hij tenminste niet te druk was met zijn huiswerk of met gitaarspelen.
'Shit, niet zeggen, alsjeblieft', piepte ik.
'Ik zeg niks,' zei hij kortaf, 'maar je moet wel naar beneden komen.'
Ik sprong op, deed de tv en de playstation uit en legde de controller zorgvuldig terug op de plek waar ik hem had gevonden. Alex ging me voor de trap af en ik liep slaafs achter hem aan. In de hal, voor de deur van de woonkamer, stopte hij. Zijn schouders gingen op en neer, alsof hij heel diep zuchtte. Toen draaide hij zich om, legde hij zijn vinger voor zijn lippen en wees hij de andere kant op, weg van de kamer. Zachtjes slopen we via de voordeur naar buiten. Met een zachte klik duwde hij hem in het slot.
Voor het huis stond een politiewagen. Ik plakte direct tegen het raam om te zien of er wapens in lagen, maar Alex duwde me weg.
'Waar gaan we heen?', vroeg ik, inmiddels enthousiast geworden door dit geheimzinnige gedoe. Met mijn broers viel altijd iets te beleven en Alex had duidelijk een geweldig plan.
'Naar het bos, vlug, deze kant op, niet langs het raam', wees hij.

Het bos was dichtbij. Tien minuten lopen, de wijk uit, voorzichtig de weg oversteken en dan was je er. Toch mocht ik er in m'n eentje of met vrienden niet naartoe. Ook een onrecht. Alex en Rowan mochten overal naartoe. Als ik geluk had nam een van hen me mee, soms gingen we zelfs met z'n drieën op strooptocht. Meestal namen ze hun vrienden mee en beleefden ze avonturen waar ik zogenaamd 'te klein' voor was.
Alex had op weg ernaartoe helemaal niets gezegd, wat het allemaal nog mysterieuzer maakte. Ik liep vol spanning achter hem aan. Toen we bij het bos aankwamen, leek het in brand te staan. Geel, oranje en rood; een laatste opvlamming van het leven, voordat de winterkou alles zou doven. Natuurlijk zag ik het toen nog niet zo. Ik was negen. Ik dacht aan avonturen, niet aan kleurig herfstblad of aan kale takken.
Alex raapte een grote tak van de grond en gaf hem aan mij: 'Hier, hou vast, ik pak er nog meer.'
Terwijl hij tussen de bomen naar takken zocht, viel me op dat hij erg stil was. Normaal maakte hij grapjes of floot hij als we op pad waren. Nu zei hij alleen het hoognodige. Hij zag ook wit. Misschien was hij wel ziek. Toch ging hij door met zoeken naar takken. Toen we allebei onze armen vol hadden, liepen we verder.
Op een open plek kabbelde een beekje. Het water kwam honderd meter verder uit de grond, vormde daar een klein poeltje en kronkelde tussen de bomen door, tot het aan de rand van het bos in een buis verdween.
'Zin om een dam te bouwen?' vroeg Alex.
'JA!, riep ik en voor ik het wist had ik mijn schoenen en sokken al uitgetrokken en stond ik midden in het beekje. Alex deed hetzelfde. Samen probeerden we met takken, bladeren en blubber een dam te maken die het water tegen zou houden. Het lukte nooit echt goed – het water was altijd te sterk – maar het was leuk. Alex kreeg zelfs wat kleur op zijn wangen en hij maakte weer grapjes. We hadden dit al heel lang niet meer gedaan. Vroeger deden we het met z'n drieën, maar de boswachter had het verboden. Hij had er een hekel aan om iedere keer die takken uit de beek te vissen.
We waren wel anderhalf uur aan het werk, tot we een dam gemaakt hadden waar nog maar een heel klein beetje water doorheen kwam. Toen gingen we aan de kant zitten om te kijken hoelang hij het vol zou houden. De zon stond nu laag en prikte gouden naalden door de bladeren. We moesten onze ogen afschermen om niet verblind te worden. Op steeds meer plekken begon de dam te lekken, tot uiteindelijk alles waarmee we de takken hadden gevoegd wegspoelde en er alleen een houten geraamte overbleef.
'Hij hield het wel lang uit', zei ik tevreden. Alex zei niets. Ik keek opzij. Hij schermde zijn ogen nog steeds af. Het viel me wel op dat zijn borst snel op en neer ging, alsof hij hard gewerkt had.
'Ben je moe?' vroeg ik.
'Zoiets', mompelde hij.
'Wel jammer dat Rowan er niet bij was.'
Hij knikte alleen.

Toen we terugliepen had ik het idee dat het al etenstijd was geweest. Ik had honger en op de weg die we over moesten steken was het erg druk.
'Misschien zien we pappa wel rijden!' zei ik.
'Die is al thuis denk ik.'
'Oh, zo snel al?'
Alex zei weer niets. Pas toen we onze straat in liepen vroeg hij: 'Heb je een leuke middag gehad?'
'Super,' zei ik', 'en moet je kijken, oom Rons auto staat er en volgens mij die van oma en opa ook! Zou iedereen blijven eten?'

Dat jaar kreeg ik wel een playstation. Hij was van iemand anders geweest, iemand die hem niet meer nodig had. Ik mocht hem op mijn kamer gebruiken. GTA 3 zat er ook bij, maar mijn moeder had de disk in tweeën gebroken. Auto's en sirenes maakten haar ziek, zei ze.
Het maakte mij niet uit eigenlijk. Ik wilde het toch nooit meer spelen.
Reageer
Anonymous
02/12/2018 at 20:53
Reply

Wow! Aangrijpend geschreven. Goede show.



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *