Lynn Robin
Kompas: het Eerste Herfstblad

De ondergaande zon is warm op mijn huid, net als de bries die door het open raam naar binnen waait en met de gekrulde hoeken van mijn brief speelt. Mijn hand zorgt ervoor dat hij niet weggeblazen wordt, terwijl mijn pen over het papier krast:


    Er zijn vier seizoen verstreken sinds de laatste keer dat ik je zag. Ik heb de herfstbladeren zien vallen, het land bedolven zien raken onder sneeuw, de eerste bloemen van de lente zien ontluiken en de zomer de avonden goud zien kleuren.


    Nu ik dit schrijf, staat de zomer weer op het punt om te vertrekken.


    En nog steeds heb ik niets van je gehoord, nog steeds lijk je net zo onbereikbaar als de Verre Landen.


    Ik kijk op van mijn brief en werp een blik naar buiten. Ik ruik de kruidige geur van de zomer, de geur van de zon die urenlang op de warme aarde heeft geschenen, en zie de schaduwen van de avond groeien.


    Het is bijna tijd.


    De Zomergeesten moeten op het punt staan om te vertrekken en zijn aan het wachten tot ik hen het kompas kom brengen, zodat ze hun weg kunnen vinden naar de Verre Landen om daar de zomer naartoe te brengen.


    Ik schrijf zo snel als ik kan.


    Het is niet moeilijk; de woorden zitten al maandenlang in mijn hoofd en hebben zich aaneengeregen tot zinnen, zinnen die nu voor het eerst onder mijn pen vandaan komen en vastgelegd worden op papier.


    De zon reist verder naar beneden. De warme bries verandert in koele wind.


    Waar ben je? In welk land, in welk seizoen? Ben je ver weg, of juist heel dichtbij?


    Soms vraag ik me af of ik een kompas nodig zou hebben om je terug te vinden.


    Of zou mijn hart me de weg kunnen wijzen?


    Ik schrijf meer, nog veel meer.


    Woord na woord stapelt zich op.


    Ik rond de brief af, vouw hem zorgvuldig dubbel, stop hem in een envelop, houd hem even tegen mijn gezicht aan en adem diep de geur in. Dan trek ik mijn ketting af, waar een kleine sleutel aan hangt, en loop ermee naar een donkerrode kast in de hoek van de kamer.


    De sleutel verzinkt in het slot en ik draai hem opzij. Ik trek de deuren open en kijk naar de plank – de enige plank in de hele kast – waar een houten kistje op ligt. Ik haal de deksel eraf en ruik de zoete geur van wierook. Het kistje is vanbinnen bekleed met saffierblauw fluweel.


    Er ligt een kompas in. Hij zit onder de krassen en deuken, heeft weer en wind doorstaan, en is al eeuwenoud. Het is altijd al de taak geweest van mijn familie om de seizoenen de weg te wijzen.


    Tegenwoordig ben ik het, die de Seizoengeesten twee keer per jaar verwelkomt en twee keer per jaar op hun weg stuurt naar de Verre Landen.


    Met het kompas in mijn ene hand en de brief in de andere, ga ik naar buiten. Ik haast me naar de grasvelden. De sprieten groeien hoog, reiken zeker tot mijn knieën en vangen een gouden glans in de zonsondergang.


    Ik vertraag mijn pas echter, als ik zie dat ik niet te laat ben.


    De Zomergeesten arriveren zojuist ook; lange, slanke wezens die meters boven een mens uittorenen. In plaats van gezichten hebben ze maskers – rode maskers, met holle ogen die de illusie wekken oneindig diep te zijn. Ze bewegen zich kalm en waden door het gras alsof het water is. Hoewel ze lange armen hebben, lijken hun benen verborgen te gaan onder de rok van een lang gewaad. Ze zien eruit als schaduwen en zijn doorschijnend; ze branden als vuur in de zonsondergang.


    Bij de oude, houten brug blijven ze staan, waar ze de oversteek zullen maken en zullen beginnen aan hun reis om de zomer naar de andere landen te brengen. Halverwege hun tocht zullen ze de Wintergeesten tegenkomen, aan wie ze het kompas zullen geven. De Wintergeesten zullen hem terug komen brengen... en na drie maanden weer meenemen, wanneer ze vertrekken en de weg vrijmaken voor de lente.


    Ik blijf ook bij de brug staan en kijk op naar de Zomergeesten. Hun lichamen vangen de rode gloed van de zon, maar ze blijven doorschijnend en ik kan de bergen in de verte door hen heen zien dringen.


    Eén van de geesten komt naar voren toe en kijkt zwijgend op me neer. Afwachtend. Ik strek mijn hand met het kompas naar hem uit. Hij reikt ernaar en mijn arm wordt iets naar beneden geduwd als zijn lange, schaduwachtige vingers over het kompas strijken – zijn wijsvinger is zo lang als mijn onderbeen. Dan neemt hij het object van me over.


    Het kompas lijkt altijd zoveel kleiner in de handen van de geesten.


    De Zomergeest vouwt ook zijn andere hand om het kompas, bijna liefkozend, en dan buigt hij voor me. De andere geesten volgen gelijk zijn voorbeeld. Ik buig ook en voel mijn hart bonken van nervositeit; de envelop in mijn hand kraakt zachtjes.


    Als ik mijn rug recht, haal ik diep adem en verstevig mijn greep op het papier. Ik adem in, om de Zomergeesten te vragen of ze mijn brief aan hém willen geven, mochten ze hem tegenkomen op hun reis.


    Mijn brief, waarin ik aan je vraag hoe het met je gaat.


    Of je net zoveel aan mij denkt als ik aan jou.


    Hoe de seizoenen voor jou zijn, welke kleuren jij ziet en welke geuren jij ruikt.


    En... of je terug zou willen komen.


    Net als de seizoenen.


    Het eerste woord van mijn vraag verlaat bijna mijn lippen – maar dan draaien de Zomergeesten zich opeens om en ik volg hun blik.


    Iemand steekt de brug over.


    Mijn ogen verwijden zich.


    De wind blaast zijn donkere haren langs zijn gezicht. Hij draagt een rugtas en een lange, verweerde jas. Hij houdt een stok in zijn hand, die zachtjes op het hout van de brug tikt.


    Dan blijft hij echter roerloos staan en staart naar me. Zijn gebruinde gezicht baadt in de gloed van de zon, de wind gaat liggen, ik voel de warmte op mijn huid en hoor de vogels in de verte hun lied zingen.


    Een flauwe glimlach trekt aan zijn mondhoeken. Ik zie vermoeidheid in zijn ogen, maar ook warmte. Ik voel diezelfde vermoeidheid. Diezelfde warmte.


    Ik lach terug en laat mijn hand met de brief zakken.


    Na een laatste buiging vertrekken de Zomergeesten; met trage, schuivende passen lopen ze naar de overkant. Als ze aan het einde van de brug zijn, wordt de wind koeler en de geur die het met zich meebrengt verandert – het is nog steeds kruidig, maar het ruikt niet meer naar warmte. Het ruikt naar bladeren die van groen naar rood, bruin en geel zullen veranderen, het ruikt naar noten die op de grond zullen vallen, paddenstoelen die de plek van bloemen in zullen nemen.


    Herfst.


    De Zomergeesten verdwijnen in de verte en hij staat nu zo dicht voor me dat ik alleen mijn hand maar uit hoef te strekken om hem aan te raken.


    ‘Je bent terug,’ fluister ik.


    Zijn ogen glanzen in de zon. Zijn glimlach groeit en hij knikt.


    En ik laat de brief los, laat de wind alle woorden wegblazen, als het eerste herfstblad van dit seizoen.


 
Reageer
Stone
14/12/2018 at 13:36
Reply

Brilliant en goed geschreven -kort- verhaal van Lynn Robin! Ik heb al haar boeken (de Schimmenwereld-serie, Insomnia, Nachtwandelaar, Bloedmaan) en kan zeggen dat elk boek leest alsof je naar een film op het witte doek kijkt! Lynn Robin is een meesterlijk verteller, die de kunst verstaat om de lezer in een avontuur te trekken: ze schrijft met oog voor detail en sfeer! Eigenlijk niet nodig om te zeggen dat ik een groot fan van haar werk ben, maar dan toch! 🙂



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *