fbpx
Laura Diane
Blauwspar
Ik wilde eigenlijk niet eens een kerstboom.

Het was een vrijdagavond, dat weet ik nog omdat het koopavond was en ik nog even snel na mijn werk de stad was ingegaan voor wat boodschappen. Zoals ik al zei; ik was dus niet van plan een kerstboom in huis te halen – de gedachte alleen al om die slinger met lampjes uit de knoop te moeten halen – maar iets haalde me over. Misschien was het de twinkelende verlichting in de vorm van engelenvleugels boven de winkelstraat, de decadent versierde etalages vol kleurige en glimmende kerstballen of de vlaag van dennengeur die me vanaf het dorpsplein tegemoet kwam, maar ik herinner me nog dat ik dacht; weet je wat, ik ga toch een kerstboom kopen. En nieuwe lampjes, dan hoef ik die oude ook niet uit de knoop te halen.

Voor de grote kerk, rondom een vaal rode container met een lichtsnoer aan het dak, om hem iets feestelijker te laten ogen voor zover dat mogelijk is bij een container, stonden rijen met sparren in diverse soorten en maten. Ik keek wat rond naar de zee van groen om me heen en wachtte tot iemand me zou komen helpen. Na een paar minuten stond ik er nog steeds alleen. Ik wilde net hallo roepen, toen er een man het pad ingestapt kwam.

“Kan ik je helpen?” Nonchalant met zijn handen in zijn zakken kwam hij op me af gelopen.

“Ik ben op zoek naar een kerstboom”

Ik had pas door hoe idioot dat klonk, tussen alle kerstbomen, toen hij voor me stond en kwajongensachtig naar me grijnsde. “En heb je er al een gevonden?”

Hij was niet veel ouder dan ik, de verkoper van Westenberger Kerstbomen zo stond er op het gewatteerde jack dat hij droeg. Hij had een wollen sjaal om zijn hals gewikkeld en zijn korte donkere haar piekte onder zo’n ouderwetse pet vandaan die normaal alleen door opa’s gedragen wordt. Maar hem stond het. En dat niet alleen; het maakte hem charmant. Zo charmant dat ik mijn hart plotseling overduidelijk in mijn borstkas voelde bonzen.

“Wat voor soort boom zoek je?” vroeg hij, haalde een hand uit zijn zak en gebaarde om zich heen. “Een fijnspar, een Nordmann, een blauwspar?”

“Een blauwspar? herhaalde ik hem verbaasd. “Zijn groene kerstbomen uit de mode?”

Hij schoot in de lach en ik vergat abrupt dat ik hem een domme vraag gesteld had. Het gele licht van de kerstverlichting glinsterde als sterretjes in zijn donkere ogen. Pas toen het stilviel voelde ik mijn wangen branden, maar niet van schaamte.

“Kom” zei hij uiteindelijk en wenkte me. “Je hebt duidelijk professionele hulp nodig”

Toegegeven, op dat moment had ik elke boom die hij me aangeboden had meteen gekocht, maar ik wilde het zo lang mogelijk uitstellen.

“Je kunt het nu in het donker misschien niet zo goed zien” zei hij, terwijl hij even verderop een boom uit de rij pakte en rechtop zette. “Maar een blauwspar heeft – zoals de naam al zegt – een soort blauw-grijze gloed. Hij heeft een piramidevorm met mooie uitwaaierende takken, de naalden vallen niet snel uit en niet onbelangrijk; hij ruikt heel lekker”

Dat geloofde ik meteen. Volgens mij rook hij naar cederhout en dennennaalden en een warm haardvuur.

“Met of zonder kluit?”

“Wat?” Ik knipperde met mijn ogen. De knappe kerstbomenverkoper staarde me vragend aan.

“De blauwspar” Hij wees met de wijsvinger van zijn leren handschoen naar de boom in zijn andere hand.

“Oh. Ja.” antwoordde ik stamelend op zijn ogenschijnlijk doodeenvoudige vraag. “Doe maar zonder, dan hoef ik hem tenminste geen water te geven”

Hij lachte opnieuw. “Of je doet net als ik” zei hij bijna fluisterend alsof hij me een geheim wilde vertellen “En je koopt een kunstboom”

“Wacht even” reageerde ik quasi-geschokt. “Je staat hier echte bomen te verkopen en je hebt zelf zo’n nep ding?”

“Ter verdediging, ik verkoop maar twee weken per jaar kerstbomen, om mijn oom te helpen” Hij tikte op het logo op zijn borst. “En nep planten zijn gewoon een stuk praktischer en gaan tenminste niet dood”

“Laat je oom het maar niet horen” plaagde ik hem.

Hij legde zijn vinger op zijn omhoog gekrulde lippen.

 

“Maar dan weet je er nog best veel over te vertellen” zei ik bewonderend. “Over blauwsparren en zo”

Hij tilde de kerstboom op en gooide hem over zijn schouder. “Wikipedia” zei hij met een knipoog. Ik kon alleen maar verlegen glimlachen.

Aan het einde van het pad, naast de container, stond zo’n apparaat – heeft zo’n ding überhaupt een naam? – waar de kerstbomen aan een kant ingaan en aan de andere kant met een wit omhulsel er weer uitkomen.

“Hoeveel kost hij eigenlijk?” vroeg ik, terwijl ik mijn portemonnee uit mijn tas haalde.

“Ze zijn wel iets duurder” antwoordde hij. “45 euro”

Een rib uit mijn lijf was het, maar ik kon en wilde niet meer terug. Hij was het meer dan waard en daarmee bedoel ik niet de boom.

“Nog een reden waarom ik er al jaren geen een koop” zei hij. Met een soepele beweging tilde hij de boom op en duwde hem met de stam vooruit in het apparaat. “Dat geld geef ik liever uit aan andere dingen”

“Zoals?” vroeg ik nieuwgierig.

“Een goed stuk biefstuk, een fles wijn”

“Klinkt lekker”

We glimlachten veelbetekenend naar elkaar, net zolang als de blauwspar door het luidruchtig ratelende apparaat getrokken werd. Ik kon niet wegkijken, zelfs al had ik het gewild. Hij was wat Mariah Carey voor kerst wilde en aan wie George Michael zijn hart gegeven had. Ik had het allang niet koud meer. Ik gloeide onder mijn jas. Toen de hele boom verpakt was en het apparaat plotsklaps stilviel klonk er een lage mannenstem over het plein.

“Stan!” Alsof we betrapt werden keken we tegelijkertijd om. Stan. Zo heette de knappe kerstbomenverkoper dus. Verderop stond een oudere man - ongetwijfeld zijn oom - met een gezin bij zich. “Ben je bijna klaar? Kan jij deze mensen even helpen?”

Stan stak zijn duim in de lucht. “Ik kom eraan” riep hij. Mijn hart zonk als een loodzware steen in mijn schoenen nu ik wist dat onze ontmoeting bijna over was. “Hier” Ik gaf hem een briefje van vijftig. “Laat de rest maar zitten” Stan pakte het aan, bedankte me beleefd en stak het in zijn jaszak.

“En sorry” verontschuldigde ik mezelf. “Ik wil je niet ophouden” Met mijn hand pakte ik de blauwspar vast, klaar om af te druipen, maar Stan liet hem niet los. Zoals hij naar me keek, alsof hij zoveel meer wilde zeggen dan die laatste zin. “Misschien houdt ik jou wel op”

En weg was hij. Naar de volgende klant. Ik staarde hem na, met een veel te dure blauwspar in mijn handen en mezelf afvragend hoe stom het zou zijn om er morgen nog een te gaan kopen. Dat is nu elf maanden, twee weken en drie dagen geleden.

Ik was te schijterig om terug te gaan en ik durfde zelfs pas in januari mijn beste vriendin Bibi over Stan te vertellen. Samen hebben we naar hem gezocht op internet, op Facebook en Instagram, maar zonder resultaat. Het enige lichtpuntje was een advertentie van Westenberger Kerstbomen op de website van de regionale krant dat ze ook dit jaar weer op het dorpsplein zouden staan. En dus ben ik nu weer onderweg naar de stad. Eerst naar Starbucks, daarna met knikkende knieën een kerstboom kopen.

Met twee grote bekers hot chocolate en een nerveuze knoop in mijn maag wandel ik richting de kerk. Wat als hij me niet herkent? Wat geheel logisch zou zijn, aangezien we elkaar maar vijf minuten hebben gezien en gesproken. En dat is elf maanden geleden. Ik zucht een keer diep in en uit.

Net als vorig jaar zie ik niemand tussen de bomen, maar als ik naar achteren loop zwelt mijn hart op. Daar staat Stan, tegen de container aangeleund, zijn handschoenen over elkaar wrijvend. Als hij opkijkt vanonder zijn pet zie ik geen enkele blik van herkenning, maar dan trekt er tot mijn opluchting een brede glimlach over zijn gezicht, precies zoals in mijn dagdromen. Mijn buik kriebelt.

“He!” begroet hij me alsof we elkaar gisteren nog gezien hebben. Hij is niets veranderd, alleen zijn kaaklijn is minder geschoren. “Toch weer een echte boom dit jaar?”

“Nah” Ik schud mijn hoofd. “Ik geef mijn geld liever uit aan warme chocolademelk” Ik steek een van de twee bekers naar hem uit. “Voor jou” zeg ik. “Of mag je niet drinken tijdens het werk?”

Voordat hij kan antwoorden galmt er een mannen stem in de container. “Stan!” Het hoofd van zijn oom steekt om de hoek. “Kom je even helpen met die aggregaat?” Stan knikt en als zijn oom weer verdwenen is grinnikt hij. “Ik heb een deja vu geloof ik”

Voorzichtig pakt hij de beker van me aan en waar zijn vingers de mijne raken tintelt het. “Dank je wel….?”

“Liz” zeg ik.

“Oké Liz” glimlacht hij bij het uitspreken van mijn naam. “Als jij nou even hier wacht” Hij geeft me zijn beker terug en legt zijn hand op mijn arm. Zijn ogen twinkelen. “Ik wil niet nog een jaar wachten om je op een wijntje te trakteren”
Reageer
Sofie
12/01/2019 at 21:35
Reply

Heel leuk verhaal, zou zo een kerst film kunnen zijn!



Mandy
27/12/2018 at 07:10
Reply

Ik hou hiervan. Hopelijk snel een langer verhaal!!



May Harper
26/12/2018 at 21:26
Reply

Ik heb gelijk zin om een kerstboom te gaan halen ;).



Annette
26/12/2018 at 17:17
Reply

Wat een heerlijk verhaal!



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *