Alexander Roessen
Herfst
Herfst.

Mijn favoriete seizoen van het jaar, na de winter misschien, en de lente. Maar zeker mijn favoriete seizoen als ik zou moeten kiezen tussen zomer en herfst. Tenzij het een milde zomer is, dan zou ik de zomer boven de herfst verkiezen. Of misschien toch de lente?

 

Herfst dus.

Het seizoen waarin de bladeren aan de bomen van kleur verschieten. Die prachtige roodbruine, gele gloed die een bos kan transformeren en een sprookjesachtig tafereel oplevert. Een betoverend bladerdek dat van de een op de andere dag onder je autobanden ligt, waardoor je drie meter doorschiet wanneer je op de rem trapt. Een magisch bladerdek dat ervoor zorgt dat de Nederlandse Spoorwegen het wiel opnieuw moet uitvinden. Dat ervoor zorgt dat je moordneigingen krijgt wanneer de buurvrouw voor de zoveelste keer haar tuin schoon blaast met een veel te grote bladblazer voor haar formaat.

Prachtig, zolang de bladeren aan de takken blijven hangen en de takken aan de bomen blijven vastzitten, en de bomen overeind blijven staan en niet onverwachts in je tuin of op je auto liggen.

 

Herfst.

Dat gevoel van de eerste herfststorm na een tropisch hete zomer, waarbij de temperatuur ver boven de verdraagbare 25 graden lag. Zo’n zomer waarvan je dacht dat die nooit zou eindigen. Waarbij je te vaak ongevraagd werd geconfronteerd met het mannelijk bloot van je nieuwe buurman, en niet op een fijne manier. Zo’n zomer waarin je net iets te vaak met je neus in de oksel van een medetreinreiziger stond toen je naar je werk forensde.

 

De eerste herfststorm. Heerlijk op het strand uitwaaien. Tegen de wind in hangen. Omver geblazen worden, happend naar adem als de wind je probeert te liquideren. Golven die op het strand beuken, een onophoudelijke razernij – alsof de zee zich wil ontdoen van alle ongewenste badgasten. Strandpaviljoens die door de branding worden verzwolgen omdat ze net een week te laat worden weggehaald, want het was zo’n mooie nazomer.

 

Herfst.

Het geluid van de wind die door de kieren van de ramen fluit terwijl je onder een dekentje op de bank zit met een mok warme chocolademelk en een brok speculaas. Genietend van de slagregen die tegen het raam slaat.

 

De herfst was altijd mijn favoriete seizoen. Misschien omdat ik geboren ben op de dag dat de herfst begint. De herfst en ik hebben een onlosmakelijke band.

Ik vond het vroeger als klein mannetje geweldig om op de racefiets te vechten tegen de harde tegenwind. Alsof ik getest werd. ‘Kom dan! Is dat alles wat je hebt,’ riep ik soms hardop.

Vanaf mijn negende ging ik elke zondag met mijn vader fietsen, door weer en wind, regen, hagel of sneeuw. Ik moest en zou fietsen.

Om vijf minuten voor zeven lag ik dan wakker, te wachten tot mijn vader mij zou wekken.

‘Weet je het zeker, Alexander? Het stormt buiten.’

‘Ja, ik wil fietsen!’ Fietsen was mijn alles. Mijn tijd, samen met mijn vader.

Met rubberen kaplaarzen en een regenpak aan, fietsten mijn vader en ik samen 60 kilometer. 55 kilometer daarvan werd ik voortgeduwd. Maar we deden het samen. Vechten tegen de elementen. Op eigen kracht. Alleen met mijn vader. Trots dat ik was. De volgende zondag gingen we weer. Storm of niet.

 

Maar mijn relatie met de herfst is veranderd. Ik ben meer een lentemens geworden. Winter is te pijnlijk geworden voor mijn zieke lichaam, zomer is te heet om te bewegen en de herfst is te deprimerend.

Doe mij de lente maar. Een fijne voorjaarsstorm. Ook fijn.

 

Herfst. Pff. Is de winter al voorbij?

 
Reageer
Jaimie Pisonier
13/11/2018 at 16:22
Reply

Een leuk verhaal.



    Alexander
    17/11/2018 at 03:57
    Reply

    Dankjewel, Jamie ☺️

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *