May Harper
Storm
Ik druip op zijn schone vloer. De conciërge kijkt met een diepe frons naar mijn schoenen en het plasje dat zich eromheen vormt. Hij doet me denk aan dat mannetje uit de Muppets, met die dikke borstels als wenkbrauwen. Onder andere omstandigheden zou ik er om moeten lachen, maar op dit moment is niets grappig.

‘Nummer 11?’ bromt hij.

‘Niemand kan hem bereiken en we maken ons een beetje zorgen.’

De kauwgom in zijn mond verplaatst zich van links naar rechts. ‘Ik heb jou vaker gezien.’

‘Klopt, gister was ik er ook.’

En toen hadden we ruzie en ben ik in het heetst van de strijd weggerend, maar dat zeg ik er niet bij. De conciërge haalt een loper tevoorschijn. Met de belofte dat ik het snel terugbreng, ren ik de trappen op. Bij de voordeur twijfel ik. Zelfs in het portiek hoor ik de storm nog gieren. Ik leg mijn handen op mijn oren, maar het huilen van de wind gaat gewoon door.

De stilte in het appartement werkt verlammend. Het legt iedere emotie stil. In mijn oren hoor ik nu enkel nog mijn hart dat steeds sneller slaat. Zachtjes sluit ik de voordeur achter me, alsof ik het zwijgen in het huis niet wil doorbreken. Geruisloos loop ik verder. Zijn naam krijg ik niet over mijn lippen. Het is te stil in huis. Alsof al het leven vertrokken is. Hij zal toch niet…

Ik schud de gedachte snel van mij af en open de keukendeur. Mijn vingers op de deurknop laten vette sporen achter. Gisteravond staat nog in de keuken. De borden op het aanrecht, de lege wijnglazen ernaast. Op de bar staat een enkel whiskeyglas. Daar begon het mee. Of had het al die tijd al tussen ons in gelegen? Als een verlangen dat sluimert in de stilte voor de storm.

Vanuit de keuken kan ik de woonkamer in kijken. Daar is ook niemand. Ik besluit naar boven te gaan. Iets wat ik gisteren niet deed. Ben ik te laat? Als hij maar niet in het trapgat…. Weer schud ik die gedachte snel van mij af. Dat zou Max nooit doen. Toch? Maar waarom is het dan zo stil in huis?

De trap houdt krampachtig zijn gekraak in. Buiten slaat de wind tegen de ramen alsof het wil zeggen ‘ren toch weg’, zoals ik gisteren wel deed. De eerste deur die ik open, is een kinderkamer. Een rilling glijdt over mijn rug, zoals de regendruppels langs het raam. Kou besluipt me. Ik kan nu nog terug. De volgende is de badkamer. Twee wastafels, één voor hem en één voor haar. Zijn vrouw. Het raampje klappert. Ik doet het dicht en het is weer stil. Haar parfum overheerst en ik word misselijk.

Er is nog één deur om te kiezen. Als ik die open kan ik niet meer terug. Binnen valt de duisternis zwaar, hoewel de gordijnen open zijn. Ik zie het stormen buiten. Hij ligt met zijn rug naar me toe, zijn arm over het laken.

‘Ben je door de storm gekomen?’ vraagt hij.

‘Je reageerde niet op mijn berichten.’

‘Het waait ook in mijn hoofd.’

Ik doe mijn trui uit en knoop mijn jeans los. Mijn boxer trek ik tegelijkertijd met mijn broek naar beneden. Even rek ik het moment. De keus is definitief gemaakt. Ik stap achter hem in bed en druk mijn lijf tegen hem aan. Onze warmte mengt. Afwachtend kus ik zijn schouders. Mijn hand rust op die perfecte glooiing waar zijn bovenlijf golft naar zijn heupen. Gister dreef de whiskey ons, nu zijn we nuchter. De warmte van zijn huid gloeit in mijn handpalm. Ik sluit mijn ogen en buig mijn voorhoofd tegen zijn hals. Mijn hand verplaatst zich naar zijn buik. Ik volg de lijn onder zijn navel, mijn adem houd ik in. Mijn hart buldert voor twee.

Langzaam ga ik verder, voor een moment stop ik en beweeg met mijn vingers heen en weer net boven de plek waar het echt gevoelig wordt. Ook hij houdt zijn adem in. Zou hij twijfelen? Zou hij weten welke afslag we nemen als ik doorga?

Schokkerig verlaat mijn adem mijn mond als ik hem volledig omsluit. De subtiliteit in mijn beweging moet suggereren dat ik weet wat ik doe. Eerst langzaam, dan steeds sneller. Ik bijt op mijn lip. Hij drukt zijn hoofd verder naar achter, zijn wang tegen de mijne. Nog even. Zijn ademhaling versnelt, de geur van zijn zweet dringt tot me door. Ik stop.

’Nog niet.’ fluister ik in zijn oor.

Verbaasd laat hij zich op zijn rug duwen en klim ik boven op hem. Pas op het moment dat ik wat spuug in mijn handen doe, beseft hij zo te zien wat ik van plan ben. De emotie in zijn ogen wordt anders. Tastbaar. Vragend, en misschien ook wel een beetje bang. Van de twee jonge spelende leeuwen van gisteravond is nu niets meer over. Dit gaat trager, alsof ik de tijd wil nemen voordat het echt losbarst. Stukje bij beetje nemen we elkaar over. Mijn hoofd leg ik tegen zijn schouder. Ik hoor zijn adem haperen.

‘David?’

Ik stop, bang dat ik hem pijn doe.

‘Niet stoppen. Kijk me aan, wil je?’

En dat doe ik. Net zo lang tot het niet meer gaat en ik mijn gebrul smoor in zijn mond. Max bijt vervolgens vol in mijn lip en zo blijven we nog een tijd liggen. De cocon waarin we ons bevonden, nog krampachtig vasthoudend. Heel even is alles stil. Zelfs de wind is gaan liggen naast ons en de regen houdt zijn water in. Ik open mijn ogen, Max kijkt me aan. Een gloed van avondrood trekt over zijn gezicht.

‘Ik hou van je,’ fluistert hij.

‘Ik ook van jou,’ antwoord ik terug.

 

Een kwartier later fiets ik naar huis met de wind die om mijn oren slaat. Bij de stoplichten zie ik hoe Max zijn vrouw de straat inrijdt. In mijn zak gaat mijn telefoon onophoudelijk. “Annemarie” schreeuwt het scherm. Waar blijf je?? schrijft ze in meerdere variaties.

We moeten praten, stuur ik terug, en trotseer de storm.
Reageer

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *