Michael Kaptein
Verraderlijk weer
'Het is onder mijn aandacht gekomen dat de vijf mensen die Le Chanson de Roland als boekverslag in hebben geleverd, het van één iemand over hebben geschreven, aangezien ze allemaal vrijwel hetzelfde zijn. Helaas weet ik niet wie het origineel heeft gemaakt en moet ik iedereen een één geven. Wanneer jullie eerlijk opbiechten wie de maker is krijgt diegene alsnog een voldoende. De rest heeft twee weken de tijd om een nieuw boek te lezen en in te leveren.'
Het was een emmer ijskoud water die mevrouw Prins over ons uitstortte, en dat twee weken voor het einde van het schooljaar. Tot voor kort heette ze mevrouw De Zwart, maar sinds ze door een pijnlijke scheiding was gegaan wilde ze weer bij haar meisjesnaam worden genoemd. Ik zorgde dat ik me stelselmatig vergiste wanneer ik haar aansprak, zodat ik kon zien hoe haar kop vertrok en ze rode vlekken in haar nek kreeg, waarbij ik me voorstelde dat ze zo ook keek als ze moeite had met haar ochtenddrol. Dit keer was het helaas niet mevrouw Prins die moeite had met een boodschap. Ondanks dat ik op het randje van zittenblijven stond, had ik geen letter in Le Chanson de Roland gelezen en het verslag van begin tot eind overgepend.

'Luister, ik weet niet wie het heeft geschreven, maar ik heb die voldoende nodig anders blijf ik zitten!'
Mijn stem galmde over het schoolplein, waar Barry, Wilfred, Simone en ik in een kring stonden, ieder even verhit als de ander en gebrand op die voldoende. Rutger ontbrak, maar die rotzak kon het nooit zelf gemaakt hebben. Hij had het tot 4VWO geschopt met minimale inspanning. Als je hem uitschudde, vlogen de gejatte repetities in het rond en iedere avond moest hij de resten spiekbrief tussen zijn tanden vandaan flossen, opgegeten vlak voor hij werd betrapt. Ik had het verslag van hem en ik vermoedde dat hij het van Simone had. Simone zou het wel van Barry hebben en Barry...
'Je weet dat ik het heb gemaakt Barry, je hebt het verdomme van mij overgeschreven!' riep Wilfred.
'What the fuck gast, jij hebt zelf gezegd dat je gewoon het oude verslag van je zus over hebt geschreven!' antwoordde Barry.
'Ja dat weet De Zwart toch niet! Ik heb het in ieder geval niet van een van jullie.'
'Dááág Wilfred', bemoeide Simone zich ermee, 'dat geldt echt niet. Jij bent net zo schuldig.'
Wilfred zweeg, stak zijn handen in zijn zakken, rochelde en spuugde op de grond. 'We zijn dus allemaal de lul', zei hij nors. 'Niemand heeft het zelf gemaakt.'
Het was een vreemde situatie. Het beeld dat Prins van ons scholieren had was niet zwart genoeg. Er zat niet één ijverige student bij.
'We moeten Rutger erbij halen en dan maar loten. De rest heeft gewoon pech', besloot Simone.
Ze had gelijk. Verdomme ze had gelijk. Twintig procent kans dat ik de laatste weken van het jaar aan een kloterig Frans boek moest besteden, terwijl ik ook nog vijf hoofdstukken scheikunde bij moest werken.
Boven ons trok de lucht dicht met grauwe wolken, dezelfde kleur als de tegels op het plein. Ik voelde de eerste druppel op mijn neus landen. Een onheilsprofeet die tijdingen van zwaar weer bracht. Dit zou nog een heel gedoe kunnen worden.
'Naar binnen dan,' zuchtte ik, 'kijken waar hij uithangt.'

We vonden hem in de studieruimte, waar hij met een opengeslagen economieboek deed of hij studeerde. Victoria zat drie meter verder met haar rug naar hem toe op een tafel, kletsend met vriendinnen. Het was een wonder dat haar spijkerbroek niet scheurde, zo strak zat hij om haar kont. Het was vrij duidelijk dat Rutger niet aan het studeren was. Het roze kant van Victoria's string stak boven de rand van haar broek uit.
Terwijl we hem inlichtten over het plan, begon Rutger te grijnzen en zei hij: 'Zeg lui, hebben jullie ooit wel eens voor het world wide web gehoord, of liever gezegd in-ter-net?'
Het was 1996. Natuurlijk hadden we daarvan gehoord.
'Wat is je punt man?' vroeg Wilfred.
'Wat als ik er eens voor zorg dat jullie alle vier een prachtig boekverslag krijgen, van verschillende boeken, en dat niemand nog een of ander Frans kutboek moet lezen in de laatste weken? Wat als ik, vanuit de goedheid van mijn hart, dat nou gewoon eens voor jullie doe?'
Een moment waren we alle vier met stomheid geslagen.
'Heb jij een aansluiting?' zei Barry verbaasd.
Rutger knikte, kalm als een vorst, en voegde toe: 'En je wilt niet weten wat ik allemaal voor moois heb gevonden.'
We keken naar elkaar en toen weer naar Rutger, die nu onderuitgezakt en met zijn voeten op een andere stoel zat. 'Het is maar een voorstel hè, maar ik ga die shit zéker niet overdoen', zei hij, ondertussen weer glurend naar Victoria's kont.

Ik had het moeten weten. Rutger was van de plannen, meestal slechte plannen. Het was altijd lastig om te zien wanneer hij serieus was en wanneer hij maar wat lulde. Wat betreft zijn toekomstige carrière kon hij in één adem wisselen tussen kiwi-kweker in Nieuw-Zeeland en uitvinder van de microfoonvormige shampoofles, om het verhaal te eindigen met zijn idee om eetbare seksspeeltjes te maken en daar schatrijk mee te worden. Hij was van het soort dat over dertig jaar, op de reünie, ons zou vertellen dat hij 'veel baantjes had gehad, allemaal ruk, maar dat hij nú toch een idee had!' Twee keer gescheiden, wonend in een stacaravan, verplicht om voor drie kinderen alimentatie op te hoesten: zo zag ik Rutgers toekomst. Ik had 'nee' moeten zeggen tegen zijn stomme plan. Nee Rutger, dit keer zoek ik het zelf wel uit. Maar ik was lui en bovendien: de anderen deden ook mee.

Op de laatste vrijdag zou iedereen zijn boekverslag inleveren, behalve Rutger. Hij had al tegen Prins gezegd dat hij het zelf gemaakt had. Gezien Rutgers reputatie was dat ongeloofwaardig, maar we konden er niks tegenin brengen. Wij hadden hém tenslotte nodig. Rutger zou de verslagen een paar dagen eerder overhandigen, zodat we ruim de tijd hadden om er nog wat aan te veranderen en onze namen erboven te zetten. Het leek een waterdicht plan.
Op dinsdag was hij ze vergeten, wat me al een lichte buikpijn gaf. Woensdag kwam hij op school met het verhaal dat inkt van zijn printer op was, maar dat de volgende dag, nee echt, de volgende dag we allemaal een pico bello verslag zouden krijgen.
De volgende dag was hij ziek.

Als afgevaardigde van ons groepje belde ik op. Hij putte zich uit in excuses en verzekerde me dat hij vier fantááástische boekverslagen had gevonden. Ondanks zijn keelpijn – die echt heel erg was volgens hem – was hij ze op dit moment uit aan het printen. Hij had onze namen er al boven gezet, geen zorgen, we konden het zo inleveren. De volgende dag zou hij kostte wat het kost naar school komen.

Die nacht lag ik wakker en luisterde ik hoe de wind steeds harder begon te jammeren en huilen rondom het huis. Er was storm voorspeld. In de momenten dat ik even wegzakte, droomde ik van Rutger, van zijn idiote grijns, en later van Le Chanson de Roland; het boek waar ik het verslag van over had geschreven. Tot drie keer toe schrok ik wakker van de wind die klonk als de valse noten die mijn zusje uit haar waldhoorn perste. In Le Chanson zat ook iets met hoorngeschal, herinnerde ik me. En iets met een veldslag, iets met een verrader. Ik probeerde er niet aan te denken en deed mijn ogen dicht, zodat ik nog wat slaap kon pakken. Rutger zou wel op komen dagen. Ik moest er vertrouwen in hebben.

Rutger kwam naar school. We konden hem aan zien komen fietsen vanuit de aula, waar we ons met z'n vieren hadden verscholen tegen het noodweer. Vrijwel iedereen werd met de auto naar school gebracht. Rutger was een van de weinigen die heldhaftig genoeg was om zich een weg te banen door windkracht acht en zijn gezicht door de regen te laten geselen. Zijn regenponcho wapperde als een cape om hem heen. Tien minuten later overhandigde hij onze boekverslagen.

'Het eerste dat me opvalt aan jullie verslagen,' zei mevrouw Prins gedistingeerd, 'is dat ze alle vier drijfnat zijn. Nou vind ik dat al eigenaardig, aangezien ik jullie met de auto aan heb zien komen. Maar wat ik vooral eigenaardig vind, is dat jullie allemaal in twee weken een deel van Marcel Prousts À la recherche du temps perdu hebben gelezen. Of jullie denken dat ik zo gek ben om dat te geloven, óf iemand heeft jullie plat gezegd BESODEMIETERT!'
Ik wist niet wie die Marcel Proust was, maar dat iemand ons besodemietert had was zeker. Door het raam van het klaslokaal zag ik Rutger op de fiets zitten. Hij had nu meewind, de vuile etterbak.
Reageer

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *