Roland Smulders
Storing
In de betegelde gang, met links en rechts trappen die afdalen naar de werkelijkheid van door regen en wind gegeselde sporen, zoeken wachtende reizigers beschutting tegen de elementen. Ze dwingen mij en mijn koffertje tot het volgen van een zigzaggende koers. Straks mis ik door die ongein mijn trein nog. Zijn ze dan tevreden? Nog twee trappen, dan ben ik eindelijk verlost van die naar wasgoed ruikende menigte. Wachten in regen en wind kan niet zo erg zijn als platgedrukt te worden in een gigantische wasdroger.
Een bejaarde vrouw schuifelt onzeker voor mij uit. Ik bedwing het verlangen haar opzij te schuiven. Zij kan er ook niets aan doen dat iedereen tegelijk met de trein wil reizen. Door een snelle manoeuvre als spookloper via de tegemoetkomende stroom lukt het mij haar te passeren. De volgende trap aan de rechterkant moet ik hebben. Spoor 7b. Vijf minuten speling moet genoeg zijn er te komen voordat mijn trein arriveert.
Het perron maakt een uitgestorven indruk. Het doet mij denken aan al die keren dat ik met de laatste trein terug naar huis ging na afloop van een onmisbare avond lichaamswerk. Herinneringen uit een vorig leven. Draaien met een denkbeeldige gouden bal in de onderste regionen van mijn onderbuik moest wonderen doen voor mijn flexibiliteit. Kronkelen onder het uitstoten van buitenaardse geluiden, als een edelhert met hoge nood, werd in de jaren negentig nog beschouwd als een volstrekt normale manier om betere medewerkers te krijgen. En het mocht wat kosten. Bedrijven gaven er zonder blikken of blozen kapitalen voor uit. Een hemel op aarde voor charlatans met meer fantasie dan scrupules.
In het tochtige wachthokje zit een man strak voor zich uit te staren. Ik kies voor een plaats op de bank die ons allebei nog wat privacy gunt. We zitten met elkaar opgescheept, maar ik hoef het niet erger te maken dan het is. De vijf minuten zijn voorbij en nog altijd valt er geen trein te bekennen. Zuchtend staar ook ik naar het perron aan de overkant.
‘Een breuk in de bovenleiding’, gromt de man plotseling.
Onzeker richt ik mijn blik op hem. Hij moet het wel tegen mij hebben. Verder is er niemand.
‘Het staat op de borden in de stationshal.’
‘Daar heb ik niet op gekeken’, beken ik. ‘Waar ik moest zijn, had ik al opgezocht toen ik aankwam. Die borden zijn mij ook helemaal niet opgevallen.’
‘Het komt door de storm.’
Dat is een veilige veronderstelling, neem ik aan. Als het stormt, gaat er altijd wel iets kapot. Meer dan een boom op de bovenleiding is niet nodig om het hele treinverkeer te veranderen in een chaos van lege perrons en volle, stinkende gangen.
‘De vertraging kan oplopen tot meer dan een uur.’
Ik hoop dat hij gelijk krijgt. Een kapotte bovenleiding repareren lijkt mij geen klusje van een uur. Als het maar niet zover komt dat we daarboven in de dampende gang op aangerukte veldbedden de nacht moeten doorbrengen. Hoe eerder ik weg ben, hoe liever het mij is.
‘Werk je op kantoor?’ De man wijst naar het koffertje dat naast mij op de grond staat. ‘Mensen die op kantoor werken, hebben altijd zo’n koffer bij zich om een belangrijke indruk te maken.’
‘Een sollicitatie’, antwoord ik. ‘In de koffer zitten mijn diploma’s en cijferlijsten. Er wordt nooit naar gevraagd, maar dat doet er niet toe. Van ons sollicitanten wordt verwacht dat we die spullen bij ons hebben als we op gesprek komen.’
‘Heeft het iets opgeleverd?’
‘Ze beloofden mij binnen een week te mailen.’
‘Dan zal het wel niets worden.’
‘Dat vrees ik ook.’ We hervatten het staren in de verte. Ik reken het feit dat ik mocht langskomen al als een overwinning. Meer zal er wel niet te halen zijn. Meestal worden een paar sollicitanten uitgenodigd om te verbloemen dat de keus al lang en breed is gemaakt. En mailen is veiliger dan het mij recht in mijn gezicht te zeggen.
‘Vind je het erg?’
‘Dat ik die baan niet zal krijgen?’ Traag schud ik mijn hoofd. ‘Nee, erg vind ik het niet. Al moet dat natuurlijk onder ons blijven. Het is te ver en te druk naar mijn zin. Ik kan mij leukere dingen voorstellen dan die hemelse reis vijf dagen per week te moeten maken. Nu wil ik graag zo snel mogelijk naar huis. Hopelijk duurt het niet lang meer tot die trein komt.’
Reageer
Anneke Hölsgens
20/11/2018 at 13:59
Reply

Hey Ronald.
Wat schrijf je leuk! Steeds een vette glimlach tijdens het lezen.
Compliment!

Anneke H.



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *