Sandra Kolhoff
Herfstaanval
De ijzige regen sijpelt als een geniepige indringer langs mijn nek mijn jas binnen en met een paar seconden ben ik compleet doorweekt. Doorweekt tot en met het laatste naadje van mijn met bloemetjes versierde onderbroek. Mopperend trap ik door. Mijn adem laat warrige wolkjes achter in de grauwe lucht en mijn vingers tintelen van de kou. Bijna thuis, bijna thuis, bijna… ‘Verdomme!’ Schreeuw ik. De kou snijdt scherp in mijn gezicht en zodra ik de hoek omsla bots ik tegen een muur van tegenwind op. Die stomme polder ook! Ellendige wind, ellendige regen, ellendige kou. Mijn zicht is troebel van de tranen, tranen door de wind, tranen van frustratie. Stomme herfst. Ik trap op volle kracht. Ik kan niet meer. Hijgend geef ik toe. De wind heeft gewonnen. Bladeren worden van de dikke takken afgerukt en weggeblazen in de richting van het onrustig klotsende water langs de kant van de weg. Het stelt me op een vreemde manier gerust dat de herfst het niet alleen op mij gemunt heeft. Mijn hartslag daalt en mijn frustratie ebt langzaam weg. Het is herfst en dit hoort erbij. Moeizaam klim ik weer op het zadel. Mijn natte spijkerbroek knelt rond mijn benen en mijn sompige jas voelt zwaar. Ik gebruik al mijn kracht, de spieren in mijn bovenbenen verzuren al na een paar minuten trappen maar ik geef niet op. ‘Wraaaah!’ Roep ik uit. Ik trap, sta bovenop mijn trappers en brul. Er is toch niemand die me hoort. Langzaam kom ik vooruit, de brug komt in zicht. Bijna thuis.

‘Kom op. Waar zijn ze nou?’ Wankel houd ik met een hand mijn stuur vast terwijl ik met mijn andere hand in mijn tas graai. Hoe kan dat nou? Ik schud met de tas naast mijn oor, gespitst op het geluid van rammelde sleutels. Niks. De moed zakt me in mijn doorweekte gympies. Eindelijk thuis, kan ik niet naar binnen.

‘De persoon die u probeert te bellen…’ Ik slik een oerkreet in, smijt mijn tas terug in het mandje en schop dan gefrustreerd tegen mijn fiets. De trapper boort zich als verweer pijnlijk terug in mijn scheenbeen. Ik ben er helemaal klaar mee. Ik wil naar binnen. Ik wil warm en droog op de bank zitten onder een dekentje met een kop thee en een boek. Ik wou dat ik verstandig was geweest en helemaal niet naar buiten was gegaan vandaag, al leek het nog zo’n goed plan. De zon scheen waterig maar optimistisch en de lucht was strak blauw. De donkerrode bladeren lagen in grote hopen langs de weg en lonkte me glanzend door de zon tegemoet. Waarom zou ik de boodschappen niet even snel op de fiets doen? Dan had ik gelijk een frisse neus gehaald en zou ik misschien nog wat inspiratie op kunnen doen voor mijn blog. Warme tranen glijden over mijn wangen. Ik voel me stom en nietig. Sta ik hier sullig te huilen voor mijn eigen hek met mijn haren tegen mijn voorhoofd geplakt om een beetje regen en wind terwijl we lang genoeg hebben kunnen genieten van een prachtige zomer. Ik proef het zout van het snot dat uit mijn neus loopt. Ik graai in de zak van mijn jas naar een zakdoek en voel dan de opluchting vreugdevol door mijn lijf stromen. De sleutels zaten in mijn jaszak.

‘Binnen! Binnen in mijn hart, binnen in mijn ziel, van binnen!’ Zingend van blijdschap stroop ik mijn natte kleding van mijn koude lichaam af. ‘Ik ben binnen!’ Het maakt me niets meer uit. Ik heb het koud maar het is niet erg. Op de deurmat vormt zich al snel een donkere kring van alle natte kleding en buiten slaat een nieuwe windhoos tegen de ramen aan. Snel pak ik alle boodschappen uit maar laat de chocoladepepernoten op het aanrecht liggen. Met een borrelende theekoker op de achtergrond sprint ik naar boven. ‘Binnen!’

‘Wacht even.’ Snel slik ik een pepernoot door en pauzeer mijn Netflix serie. Ik ben weer helemaal opgewarmd en ik heb me in mijn zachte trui en joggingbroek gehesen. Aan mijn voeten prijken de vrolijkste sloffen en ik voel me heerlijk behaaglijk. ‘Ik heb mijn eerste herfstaanval gehad.’ Zeg ik. Het blijft even stil. ‘Herfstaanval? Is dat een echt woord?’ ‘Ik vind van wel. Als je het op zou zoeken zou dit de erbij moet staan: een Herfstaanval is een aanval van verschillende misleidende weerselementen en dat soms in een paar minuten tijd. Het is een aanval waarvan je denkt dat je hem wel voor kunt zijn maar waarvan je eigenlijk altijd verliest.’ ‘Je was je sleutels kwijt zeker?’ ‘Hm,’ mompel ik. Wat kent mijn vriend me toch goed. ‘En het regende.’ ‘Hm.’ ‘De buurman was niet thuis en de poort was op slot.’ ‘Hm.’ ‘Wat eten we?’ ‘Stampot.’ ‘Stampot?’ ‘Ja, het is herfst en daar hoort een echt Hollands stampotje bij.’ ‘Andijviestamp?’ ‘Hm.’ ‘Met worst?’ ‘Met worst.’ Ik staar naar buiten, de grauwe lucht verandert weer langzaam in een zachtblauwe tint en de zon piekt weer stiekem tussen de bladeren door. ‘Ik houd wel van de herfst.’ ‘Ja, ik ook.’ En ik besef dat ik het meen.
Reageer
Richard
06/11/2018 at 18:45
Reply

Trots op jou schat! Mega leuk verhaal en kan het mij compleet voorstellen. 😉



Dirk
06/11/2018 at 03:20
Reply

Ik snap waar je inspiratie vandaan komt!
Leuk verhaal, gelezen terwijl ik zeiknat net aankom op Melbourne airport om naar huis te vliegen.



Petra
05/11/2018 at 21:48
Reply

Ik heb iets meer dan geglimlacht 😂
Geglimlacht ….. ook zo’n raar woord!
Ik vind het een heerlijk verhaal, Toppie



Tony
05/11/2018 at 15:08
Reply

Wat een heerlijk verhaal. Ik zit te glimlachen☺️



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *