Sandra Ringoot
Herfst in mijn hoofd
Ik weet nog hoe het gekomen was; m’n doldwaze verliefdheid voor de bladblazer-man.
Op een kille oktoberdag liep ik doelloos rond door de straten. M’n humeur zat diep verscholen, weggemoffeld in mijn warme trenchcoat. De grijze wolken hingen dreigend geplakt in de lucht die mistroostig aanvoelde. Er lag een stapel werk op me te wachten, maar voor één keer kon ik me er niet toe aanzetten. De reden: mijn hoofd was moe en mijn hart was leeg. Ik hunkerde naar een liefde die me troosten zou op deze kille herfstdag. Ik snoof m’n neus op en zette de kraag van m’n jas recht. Het zachte wollige van de voering kriebelde in mijn nek en gaf me een behaaglijk gevoel. Niettegenstaande de kilheid zich reeds genesteld had in m’n hart. Halsoverkop sloeg ik een zijwegje in die me naar het stadspark zou leiden. M’n linkermouw tikte de haag die de toegang tot het park onthulde. Ik gaf de aftrap van de wandeling door een flinke schop te geven tegen een hoopje afgevallen bladeren. De neus van mijn laars lanceerde een kleurexplosie aan bladeren die zachtjes neerdwarrelden op het grind. Het toverde spontaan een glimlach op m’n gelaat en in m’n hart ontkiemde een klein vonkje. Ik slenterde verder, mijn koude handen in m’n zakken gestoken. Kinderen speelden, zochten naarstig naar noten, eikels en afgevallen bladeren onder het goedkeurend oog van hun grootouders. Hun enthousiasme was aanstekelijk want mijn ogen streelden de kleurpracht van de ranke bomen en sinds lang warmde m’n hart een beetje op. Ik genoot van de natuurpracht, de omwenteling naar een nieuw seizoen. Ik wandelde genietend verder en besloot even te verpozen in een pittoresk hoekje waar een bankje op me wachtte. Ik vleide me neer en sloot de ogen. De zon kwam piepen en verwarmde m’n gelaat. Ik maakte de bovenste jasknoop los en genoot van een herfstzonnetje dat zich nog eens wou laten gelden. De vogels floten tegen mekaar op alsof ze deze middag hun mooiste zang voor mij gespaard hadden. En dan gebeurde het. Ik had trek in dat ene snoepje dat nog in m’n jaszak zat. En m’n verkleumde vingers haalden tot m’n verbazing twee karamelsnoepjes tevoorschijn. Ik frommelde het goudkleurig papiertje open en stak het gulzig in m’n mond. Ik zoog de zoete smaak heilzaam eraf en likte de karamel uit m’n mondhoeken. Opeens stond hij daar pal voor m’n neus; de bladblazer-man. ‘Hé, zijn dat ook jouw lievelingssnoepjes?’ zei hij voorzichtig. Hij keek me vragend aan met zijn zachte ogen. En ik begon spontaan te glimlachen. Zijn tenger lichaam stak in een groen werkpak en gummi laarzen, niet bepaald een fraai zicht. Maar zijn lieve glimlach werkte als een magneet en zou de rest van mijn leven veranderen. Ik knikte en bood hem het laatste snoepje aan. Hij stak zijn hand uit en onze vingers raakten elkaar. Ik verdronk in zijn hemelse ogen en waarschijnlijk begon ik te blozen. Hij legde zijn bladblazer neer in het zachte mos en nestelde zich bij me op de bank. Beiden genietend van ons lievelingssnoepje op een prachtige herfstdag. En toen nodigde hij me prompt uit om iets te gaan drinken na zijn werkdag. ‘Waarschijnlijk lust je wel een kopje warme chocolademelk met een stuk appeltaart?’ vroeg hij me lief. Ik knikte en tja…
Sindsdien is hij m’n lief!

 
Reageer

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *